Doelen en resultaten
Vanaf 2019 zetten we de Haringvlietsluizen regelmatig tijdens vloed op een kier, zodat trekvissen met het zoute water mee het Haringvliet op kunnen zwemmen. Afgelopen jaren voerden we verschillende onderzoeken uit en ook de komende jaren blijven we dit doen. De belangrijkste inzichten tot nu toe zetten we op een rij.
Onderzoek naar vissen
Om te zien welke route de trekvissen afleggen en wat het effect is van de openen van de sluizen bij vloed, volgen we de vissen op verschillende manieren. We zien inmiddels dat de vissen in ieder geval de kieropening weten te vinden. Er zijn verschillende soorten trekvissen, zoals bot, glasaal, spiering en haring, waargenomen bij de Haringvlietsluizen. Dat is een positief signaal. Maar uit vervolgonderzoek moet blijken hoe we vissen nog verder kunnen helpen.
Verschillende vissoorten hebben verschillende eigenschappen en voorkeuren in hun trektocht. Belangrijke inzichten:
- Sterke zwemmers, zoals zalm en zeeforel, kunnen bij een beetje tegenstroming -als rivierwater richting zee wordt afgevoerd- het Haringvliet op zwemmen, maar met het openen van de sluizen tijdens vloed kunnen deze vissen vaker door de sluizen.
- Zwakkere zwemmers; jonge vissen zoals glasaal, bot, driedoornige stekelbaars en spiering, komen vooral binnen tijdens vloed. Voor deze vissen zijn de sluisopeningen bij vloed dus extra belangrijk.
- Jonge zeevissen, zoals haring, groeien op in het overgangsgebied tussen zout en zoet water. Als ze in het Haringvliet zijn, laten zich vanuit het Haringvliet weer meevoeren naar de Voordelta.
- Voor zoetwatervissen, zoals snoekbaars en brasem, is het openen van de sluizen bij vloed gunstig, omdat veel meer van hen weer het Haringvliet in zwemmen als ze in zee terecht zijn gekomen.
Onderzoek naar zout
Het bleek dat met het originele plan voor het kieren de zoutverspreiding in het Haringvliet onvoldoende beperkte; het water zou te zout worden. De vraag werd daarom: Hoe kunnen we toch extra sluisopeningen mogelijk maken zonder de zoetwatervoorziening in gevaar te brengen? Daarvoor onderzochten we drie opties:
- Het aanpassen van de voorwaarden voor het binnenlaten van zout water (inlaatbeheer).
- Een combinatie van het aanpassen van de voorwaarden voor het binnenlaten van zout water (inlaatbeheer) en de voorwaarden voor het ‘doorspoelen’ met zoet water om het zoute water te verminderen (doorspoelbeheer).
- De rivierbodem aanpassen.
Bij deze onderzoeken bekeken we ook wat de aanpassingen betekenen voor trekvissen en hoe ze invloed hebben op (het zouter worden van) de rest van het water in de Maas-Rijnmonding. Uit de vergelijking van deze mogelijkheden bleek dat optie 1 de beste optie is om verder uit te werken en te toetsen. En dat zijn we nu aan het doen. Dat doen we zowel in de praktijk als met modelberekeningen. De komende jaren verfijnen we aanpak op basis van de onderzoeksresultaten.