Watersnoodramp 1926: het verwoestende water
Rond het einde van 1925 voltrok zich een ramp: hoogwater overspoelde grote delen van het Nederlandse rivierengebied. Precies 100 jaar later herdenken we deze watersnood, die het leven van duizenden mensen trof en het Nederlandse waterbeheer voorgoed veranderde.
De dijk breekt door
Het is 07.00 uur op oudejaarsdag 1925. In het Rijk van Nijmegen luiden de klokken voor de vroegmis. Veel inwoners zitten in de kerk wanneer het nieuws binnenkomt. De kerkgangers stromen in paniek de kerk uit. De pastoor kijkt verbijsterd toe, totdat iemand roept: ‘Den diek is deurgebroken!’
Chaos volgt. Mensen rennen naar huis om kinderen, dieren en kostbare spullen te redden. Sommige inwoners vluchten naar Arnhem, Nijmegen of Tiel, anderen zoeken veiligheid op hun eigen zolder. Hoewel niemand de doorbraak verwacht, maken de extreme omstandigheden dit bijna onvermijdelijk.
De aanloop naar de ramp
Aan het eind van 1925 zijn de weersomstandigheden uitzonderlijk zwaar. Vanaf halverwege november sneeuwt het regelmatig en vriest het flink. Op 5 december daalt de temperatuur tot -17 ºC. De dijken staan stijf bevroren in het winterlandschap.
Dan slaat het weer plotseling om: de temperatuur stijgt en het begint hevig te regenen. In combinatie met smeltwater stijgt het water van de Rijn en de Maas tot recordhoogte. Eind december klotst het water al tegen de kruin van de dijken.
Het water neemt het land
Op oudejaarsochtend raast een zuidwestenwind met volle kracht tegen de kwetsbare dijk. Met donderend geweld slaat het water een gat van 100 m tussen Overasselt en Nederasselt. Binnen enkele uren verandert het gebied tussen Nijmegen, Mook, Ravenstein en de Maas in één grote watervlakte. En het blijft niet bij één doorbraak. Langs de Maas, van Eijsden tot Grave, breken 39 dijken. Er zijn ook doorbraken bij Cuijk, Brummen en andere plekken langs de Waal en IJssel.
Paniek en chaos
Op 3 januari 1926 ziet een bewoner van Dreumel hoe het water als een muur uit de polder op hem afkomt:
‘Het water lichtte de daken van de huizen omhoog. De wind, de alvernieler kwam niet tot bedaren. Enkele diep in het water staande woningen werden vernield. Eerst de muren die door de golfslag scheurden en omvielen, daarna de binnenmuren die afbrokkelden, totdat het geheel als een kaartenhuisje ineenviel. Mensen waren in paniek. Moeders met betraande ogen en afgematte blikken zag men met hun kinderen langs de slijkerige dijk slenteren, niet wetende waarheen…’
Een verslaggever van de Limburger Koerier beschrijft Tegelen als een spookstad:
‘Een akelig en mistroostig schouwspel: water stroomde ongenadig door deuren, vensters en keldergaten. Reddingsbootjes dobberden als spoken door de in kanalen herschapen straten, voortgedreven door menslievende redders met lantaarns, waarvan het rode licht nauwelijks door de duisternis drong en weerkaatste in het wassende water.’
Naast lokale hulp van kleine bootjes komt ook een georganiseerde redding op gang. Een extra trein brengt 150 mariniers van Den Helder naar Nijmegen. Met roeiboten trekken zij door het ijskoude water langs dorpen en boerderijen, waar gezinnen angstig op zolders wachten tot ze kunnen worden geëvacueerd.
Een ramp zonder officiële verklaring
Er vallen geen doden, maar de schade is enorm: ongeveer 3000 huizen raken beschadigd, oogsten mislukken en vee verdrinkt.
Minister-president Colijn weigert de overstroming als een nationale ramp te erkennen. Volgens hem zijn er geen slachtoffers gevallen en is het geen onverwachte gebeurtenis, zoals de windhoos die een paar maanden eerder Borculo trof. Overstromingen in het Land van Maas en Waal komen nu eenmaal regelmatig voor.
Een krantenbericht uit De Limburger van 5 januari toont echter dat er wél een dodelijk slachtoffer viel.
Van rookworsten tot onderbrenging vee
Omdat de regering de ramp niet erkent, is overheidssteun niet beschikbaar. Slachtoffers zijn aangewezen op hulp van anderen. Koningin Wilhelmina en de paus schenken geld, en het Nederlandse volk zamelt massaal in.
In het hele land ontstaan spontane acties. Mensen zamelen geld, kleding, meubels, keukengerei en voedsel in, van meel tot rookworsten. Grote en kleine gebaren maken een enorm verschil. Zo werkt het personeel van een bloemisterij in Aalsmeer 3 dagen lang een uur over en schenkt dat extra verdiende loon aan de watersnoodslachtoffers. Uiteindelijk komt een bedrag van miljoenen guldens bij elkaar om de getroffenen te helpen.
Ook op het platteland is sprake van grote solidariteit. Boeren stellen hun land beschikbaar. Op 5 januari worden 160 koeien per tram naar Schijndel vervoerd voor tijdelijk onderdak. In Haaren wordt een schaapherder met 100 schapen opgevangen, en in Lithoyen krijgt vee onderdak op de speelplaats van een meisjesschool.
Kanalisatie van de Maas
Deze overstroming, die niet als ramp werd erkend, zet de Nederlandse overheid uiteindelijk wel aan tot actie. Ingenieur Cornelis Lely krijgt de opdracht een plan te ontwikkelen voor de kanalisatie van de Maas. In zijn rapport Verbetering van de Maas voor grote afvoeren stelt hij voor de rivier benedenstrooms van Grave te verkorten en te verruimen, zodat het water sneller wegstroomt en de kans op overstromingen afneemt.
Een van de kernpunten in Lely’s plan zijn de bochtafsnijdingen tussen Grave en de Blauwe Sluis. Door enkele bochten recht te trekken, verkort het riviertraject met 19 km. Deze ingreep verandert niet alleen het landschap, maar ook het dagelijkse leven. Zo komt het dorp Keent, dat tot dan toe bij Balgoij in Gelderland hoorde, plotseling aan de andere kant van de Maas te liggen, in Noord-Brabant.
Dijken voor de toekomst
De overstroming treft niet alleen het Land van Maas en Waal, het Rijk van Nijmegen en Limburg, maar ook delen van de Boven-Merwede, de regio rond Dordrecht, het westen en noorden van Brabant en delen van Overijssel. De schade wordt uiteindelijk geschat op 10 miljoen gulden.
Veel overstroomde gebieden waren in 1926 relatief dunbevolkt. Mede daardoor vielen er geen slachtoffers. Tegenwoordig wonen er veel meer mensen in het rivierengebied en zou de impact van een watersnoodramp op deze schaal vele malen groter zijn.
Met behulp van historische bronnen modelleerden we de ramp van 1926 in de huidige tijd. We gebruikten hiervoor watermodellen die we ook inzetten om overstromingsgevolgen in beeld te brengen en onder andere gebruiken om te bepalen hoe sterk dijken moeten zijn. Als de ramp zich vandaag zou voordoen, zou de schade oplopen tot 14,5 miljard euro, met 200.000 getroffen mensen en naar schatting 130 doden.
Vandaag de dag is het rivierengebied veel beter beschermd tegen overstromingen. De dijken zijn sterker dan 100 jaar geleden en er gelden striktere veiligheidsnormen. Dit is het resultaat van aanzienlijke investeringen door de waterschappen en Rijkswaterstaat, ondersteund door het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).
Als nu dezelfde hoeveelheid water als in 1926 door Nederland zou stromen, zouden de dijken hoogstwaarschijnlijk standhouden. In 2050 moeten alle primaire waterkeringen in Nederland voldoen aan die nieuwe veiligheidsnormen, zodat de rivieren veel grotere hoeveelheden water kunnen verwerken dan in 1926.
Hoe hoog kan het water bij jou komen?
Wist je dat meer dan de helft van Nederland in een gebied woont dat kan overstromen, ook langs de grote rivieren? Het risico is klein, maar als het gebeurt, kunnen de gevolgen groot zijn. Daarom werkt Rijkswaterstaat, samen met andere waterbeheerders, elke dag aan het verbeteren van de bescherming tegen hoogwater en overstromingen.
Wil je weten wat een overstroming voor jouw buurt kan betekenen? Ga naar de website Overstroom ik, vul je postcode in en ontdek hoe hoog het water kan komen. Ook vind je tips over wat jij kunt doen om jezelf en je spullen te beschermen. Zo ben je beter voorbereid als het ooit misgaat.