Het Noordzeekanaal als frontlinie
In 2026 bestaat het Noordzeekanaal 150 jaar. Het kanaal werd aangelegd om Amsterdam beter bereikbaar te maken. Het groeide uit tot een levensader voor scheepvaart, economie en waterbeheer. Sinds 1876 verbindt het kanaal onze hoofdstad met de Noordzee.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde die rol ingrijpend. Het Noordzeekanaal was niet langer alleen een verbinding, maar werd ook doelbewust ingezet in de strijd. Daarmee veranderde het kanaal in een frontlinie. Niet een met loopgraven, maar een systeem dat onder spanning stond, bewaakt werd en koste wat kost moest blijven functioneren.
Die spanning was er vanaf het begin van de oorlog. In mei 1940 brachten Nederlandse troepen de oceaanstomer J.P. Coen tot zinken in de monding bij IJmuiden. Het schip versperde de toegang tot het kanaal. Deze drastische ingreep maakte direct duidelijk hoe groot het strategische belang was.
Militair bolwerk aan zee
Rond IJmuiden veranderde het landschap na de overgave ingrijpend. Complete wijken maakten plaats voor bunkers en andere verdedigingswerken als onderdeel van de Atlantikwall. Wat ooit een levendige kustplaats was, veranderde in een militair bolwerk van formaat.
Werken onder bezetting
Voor Rijkswaterstaat (toen onder de naam departement van Waterstaat) betekende de oorlog een grote verandering voor het dagelijkse werk. De infrastructuur waarvoor de organisatie verantwoordelijk was, moest blijven functioneren, maar onder totaal andere omstandigheden.
De sluizen bij IJmuiden bleven operationeel en het waterpeil moest worden beheerd, terwijl de scheepvaart, voor zover mogelijk, doorging. Tegelijkertijd stonden deze objecten onder toezicht van de bezetter en waren ze kwetsbaar voor geallieerde aanvallen en sabotage.
Ingenieur Dammers, werkzaam bij het arrondissement Noordzeekanaal, maakte deze periode van dichtbij mee. In brieven en dagboeken legde hij vast hoe zijn werk veranderde. Zo schreef hij in augustus 1940 aan zijn vrouw: ‘Op Waterstaatgebied is er wel fantastisch veel te doen.’ Daarmee doelde hij op het herstellen van sluizen en bruggen en het weer bevaarbaar maken van vaarwegen.
Dreiging en noodmaatregelen
Naarmate de oorlog vorderde, nam de spanning toe. De infrastructuur werd niet alleen gebruikt, maar ook bedreigd. Sluizen, bruggen en waterwerken konden doelwit zijn van sabotage en militaire acties van zowel Duitse als geallieerde zijde.
Binnen Rijkswaterstaat dacht men daarom na over noodscenario’s. Medewerkers, onder wie Dammers, ontwierpen in het geheim een noodsluis bij IJmuiden, voor het geval de bestaande sluizen verloren zouden gaan. Het plan hoefde uiteindelijk niet te worden uitgevoerd.
Water als wapen en verzet
Water was niet langer alleen iets om te beheren. Inundaties, het bewust onder water zetten van gebieden, maakten van water een verdedigingsmiddel voor de bezetters. Dammers schreef: ‘Het water, onze vijand, gaat nu onze vijanden helpen.’
Tegelijkertijd bood het watersysteem ook mogelijkheden voor subtiele tegenwerking. Medewerkers van Rijkswaterstaat gebruikten hun kennis om maatregelen te beïnvloeden, zonder dat dit direct zichtbaar was. Bij Duitse voorbereidingen voor inundaties in maart 1944 steeg het waterpeil in het Noordzeekanaal minder snel dan verwacht.
Dat bleek geen toeval. Na de gedwongen opening van de Oranjesluizen lieten medewerkers het binnengekomen water weer weglopen via de boezem van Amstelland. Zo bleef het effect van de inundatie beperkt.
Vernieling van waterstaatswerken
In de laatste fase van de oorlog nam de dreiging verder toe. Vanaf het najaar van 1944 ging de Duitse bezetter over tot doelbewuste vernieling van infrastructuur. Havens, installaties en toegangswegen werden onbruikbaar gemaakt om de geallieerde opmars te hinderen.
Bij IJmuiden raakte de Noordersluis zwaar beschadigd. Onderdelen van de sluis werden opgeblazen en installaties vernield. Tegelijkertijd werden op meerdere plekken schepen tot zinken gebracht om de toegang tot het Noordzeekanaal te blokkeren.
Ook in het kanaal zelf verschenen versperringen. De waterweg die jarenlang als levensader had gefunctioneerd, dreigde zo definitief stil te vallen. Ondanks alle dreiging en beperkingen ging het werk aan het Noordzeekanaal zo lang mogelijk door. Sluizen bleven in bedrijf, schade werd hersteld en het systeem werd onderhouden, vaak onder moeilijke omstandigheden en met beperkte middelen.
Laatste oorlogsjaren
De situatie kantelde toen het openbare leven tijdens de hongerwinter grotendeels tot stilstand kwam. Ook voor de medewerkers van Rijkswaterstaat verschoof de aandacht van werk naar overleven. Op 24 december 1944 noteerde Dammers: ‘Al deze zaken zijn in onze gedachten verdrongen door de gedachten over eten. Die beheersten ons geheel.’
In april 1945 richtte hij zijn aandacht weer op de waterstaatkundige situatie: ‘Het gerucht ging dat de Wieringermeer zou worden geïnundeerd. Bovendien zullen de sluizen in IJmuiden niet gespaard blijven.’ De Wieringermeer werd kort daarna daadwerkelijk onder water gezet. De sluizen bij IJmuiden bleven gespaard, maar raakten wel beschadigd door vernielingen in de laatste fase van de oorlog.
In het voorjaar van 1945 kwam aan de bezetting een einde. Het Noordzeekanaal was tijdens de oorlogsjaren geen frontlinie met loopgraven, maar wel een plek waar militaire, economische en technische belangen samenkwamen. Daar werd zichtbaar hoe kwetsbaar vitale infrastructuur kan zijn.