Interview

Schipper aan het woord: ‘We gaan waar we nodig zijn’

Gepubliceerd op: 3 maart 2026, 13.37 uur

Zutphen, iets voor 12.00 uur in de ochtend. Kraanschip Prins ZEs van aannemer Van den Herik vaart de haven in. Na het aanmeren klimmen we via een steile stalen trap aan boord. Daar worden we welkom geheten door schipper en kraanmachinist Pantel Wielhouwer.

Hij vertelt over het werken en leven aan boord van dit bijzondere schip, het eerste in zijn soort dat volledig vaart en werkt op accu’s geladen via waterstof brandstofcellen.

De werkweek van Pantel Wielhouwer begint op maandag om 7.00 uur en eindigt op vrijdag. Al die tijd is hij aan boord van de Prins ZEs. ‘We draaien een anderhalf ploegendienst,’ vertelt hij. ‘Met drie man houden we het schip draaiende, waarbij een iemand steeds een week vrij is.

Deze week ben ik schipper en werk ik samen met kraanmachinist Sander. Daarnaast hebben we op dit moment Jurre aan boord. Hij volgt de scheepvaartopleiding op het mbo en loopt stage op ons schip.’

Vaarwegen in Oost-Nederland

Het werk van de Prins ZEs speelt zich grotendeels af op de vaarwegen van Oost-Nederland. In opdracht van Rijkswaterstaat verzorgt Van den Herik samen met Strukton het vaargeulonderhoud van de Nederrijn, Lek, IJsseldelta en Twentekanalen.

‘Een groot deel van ons werk bestaat uit baggeren,’ vertelt Wielhouwer. ‘Op basis van een driemaandelijkse peiling weten we welke ondieptes we moeten herstellen. Daar zitten altijd standaardplekken bij, zoals de bocht in de IJssel bij Gorssel. Met de kraan halen we het zand weg tot de bodem weer op diepte is.’

‘Dit zand brengen we daarna aan op plekken waar de rivier te diep is, bijvoorbeeld achter een krib. Naast baggerwerk herstellen we schade aan bijvoorbeeld kribben. Ook halen we op verzoek van Rijkswaterstaat soms wrakken van auto’s of bootjes uit de vaargeul of bomen die in de rivier drijven. We hebben trouwens ook wel eens een motorfiets opgebaggerd.’

Zero emission

Bijzonder is dat de Prins ZEs zero emission is. ‘Vandaar ook de hoofdletters ZE, zero emission, nul uitstoot, in de naam van ons schip,’ legt Wielhouwer uit. ‘De Prins ZEs vaart en werkt op accu’s die we laden via waterstofbrandstofcellen, verpakt in een compacte container. We zijn het eerste werkschip in Nederland dat dit zo doet.’

Dit vraagt wel wat van de bemanning. Op dit moment is het wettelijk nog niet mogelijk om een waterstofcel aan boord te hebben. En zonder toestemming mag deze ook niet overal langs de kant staan. In bijvoorbeeld Zutphen hebben de gemeente en het waterschap daar toestemming voor gegeven.

‘We mogen de waterstofbrandstofcellen en de waterstofcontainer veilig bij de waterkant neerzetten, dicht bij de ligplaats van de Prins ZEs. Voor andere plekken zijn we nog in overleg over de mogelijkheden. Zo kunnen we straks toch overal langs de vaarwegen in Oost‑Nederland waterstof laden en zonder uitstoot ons werk doen.’

Werken, eten, slapen

De mannen werken, eten en slapen gedurende de week aan boord van het schip. ‘We gaan waar we nodig zijn,’ vertelt Wielhouwer. ‘Afhankelijk van waar we aan de slag zijn geweest, bepalen we ’s avonds onze aanlegplek. Dat kan in Zutphen zijn, maar bijvoorbeeld ook in Doesburg, Arnhem, Zwolle of Kampen.’ Na het aanmeren gaat het schip eerst “aan de stekker”; de Prins ZEs kan ook gewoon elektrisch laden.

‘Daarna koken we, praten we wat na en gaan we slapen. We hebben allemaal een eigen slaapkamer, waar we ons terug kunnen trekken. En ’s ochtends gaan we na het ontbijt om 7.00 uur weer aan de slag.’ Wielhouwer vertelt dat de schipper de boodschappen verzorgt. ‘Die neem ik dan zelf mee het schip op. Maar soms, als je weet waar je ‘s avonds aanlegt, worden de boodschappen ook bezorgd door de supermarkt.’

Zichtwerk is het mooiste werk

Wat vindt Wielhouwer eigenlijk leuker, het schip besturen of met de kraan werken? ‘Als ik eerlijk ben, vind ik de kraan leuker. Dat is afwisselender. Als ik op de kraan zit, ben ik gewoon lekker bezig. Als schipper natuurlijk ook, maar je maakt letterlijk minder meters.’

Het mooiste van zijn werk, vindt Wielhouwer het zogenoemde zichtwerk: werk dat je kunt zien. ‘Het grootste deel van ons werk bestaat uit baggeren, onder water. Het resultaat van dat werk zie je dus niet. Maar als we een krib repareren of een zinkstuk helpen aanbrengen, is dat wel zichtbaar. Als we daar dan een volgende keer langsvaren, denk ik toch altijd: dat hebben we mooi gefikst.’