Samenwerking van belang voor herprioritering en programmering
Op 20 oktober 2026 spraken Rijkswaterstaat en de leden van Taskforce Infra en brancheorganisaties over de gevolgen van de herprioritering van de onderhouds- en vernieuwingsopgave.
Aanleiding is de Kamerbrief Prioritering en perspectief Mobiliteits- en Deltafonds, waarin het kabinet keuzes maakt om de beschikbare middelen, capaciteit en de opgave beter met elkaar in balans te brengen. Tijdens het overleg hebben we toegelicht wat deze keuzes betekenen voor de programmering van werkzaamheden, de toekomstige dealflow en de samenwerking met de markt.
Grote opgave vraagt om duidelijke keuzes
Nederland staat voor een omvangrijke onderhouds- en vernieuwingsopgave. Veel bruggen, tunnels, sluizen, wegen en waterwerken dateren uit de jaren 50, 60 en 70 en bereiken het einde van hun technische levensduur. Tegelijkertijd neemt het gebruik van de infrastructuur toe. Daardoor is de opgave groter dan de beschikbare middelen en groter dan wat op korte termijn uitvoerbaar is.
Instandhouding krijgt prioriteit
De gemaakte keuzes zijn gebaseerd op het afweegkader zoals afgestemd met de tweede kamer voor de zomer. Verder staan veiligheid, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en uitvoerbaarheid centraal. Op basis van deze afweging krijgt instandhouding prioriteit boven nieuwe aanleg. Dat betekent dat meer middelen beschikbaar worden gemaakt voor exploitatie, onderhoud, renovatie en vernieuwing van bestaande infrastructuur.
Met de prioritering wil het kabinet ongeveer €18 miljard beschikbaar maken voor onderhoud en vernieuwing. Met de investeringen wordt een belangrijke stap gezet om de infrastructuur ook de komende jaren veilig, betrouwbaar en beschikbaar te houden.
Meer voorspelbaarheid voor de markt
Een belangrijk doel van de herprioritering is het creëren van meer duidelijkheid en voorspelbaarheid voor marktpartijen. Door programmering, budgetten en uitvoeringscapaciteit beter op elkaar af te stemmen ontstaat een stabieler en realistischer beeld van de werkzaamheden die de komende jaren uitgevoerd kunnen worden.
We werken toe naar een programmering voor de komende 8 jaar. Dit biedt marktpartijen meer zekerheid en maakt het mogelijk om gericht te investeren in personeel, materieel, kennisontwikkeling, innovatie, digitalisering en scholing. Een voorspelbare opdrachtenstroom is bovendien een belangrijke randvoorwaarde om gezamenlijk de productiviteit in de sector verder te verhogen.
Basisfunctionaliteit
Verder staat basisfunctionaliteit centraal: het Rijk richt zich primair op de noodzakelijke kwaliteit van infrastructuur, terwijl aanvullende wensen en bijbehorende risico’s nadrukkelijker bij andere (regionale) partijen worden belegd.
Door scherper te prioriteren, projecten meer te standaardiseren en sterker te sturen op productiviteitsverbetering, moet met de beschikbare middelen meer infrastructuur kunnen worden gerealiseerd.
Daarnaast wordt samen met medeoverheden, de bouwsector en kennisinstellingen gewerkt aan een gezamenlijke productiviteitsagenda, gericht op onder meer standaardisatie, innovatie, risicobeheersing en een voorspelbare opdrachtenstroom.
Hoe gaan we verder?
De prioritering zal eerst worden besproken met de Tweede Kamer en vervolgens worden verwerkt in de besluitvorming rondom de Voorjaarsnota 2027. We werken intussen de keuzes uit de herprioritering uit in een programmering en een daaropvolgende inkoopplanning.
Markt betrokken houden
Inzichten vanuit de markt zijn van grote waarde bij de verdere uitwerking van de programmering. Alleen door gezamenlijk op te trekken kan de onderhouds- en vernieuwingsopgave uitvoerbaar, betaalbaar en maakbaar blijven. Daarom blijven we, samen met brancheorganisaties en andere partners uit de sector met elkaar in gesprek over de verdere uitwerking van de programmering, dealflow en inkoopplanning.