Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

  1. Ondernemers van een openbaar werk (gas-, water- en elektriciteitsbedrijven en dergelijke) en overheden (waaronder waterschappen, gemeenten en provincies). De ondernemer van het werk is degene wie het werk aangaat (artikel 2 BP) en verantwoordelijk is voor de praktische uitvoering van het werk, de verzoeker.

    In een aantal situaties dient eerst een concessie en/of Erkenning openbaar belang procedure te worden gevolgd.

  2. De gedoogplicht kan worden opgelegd aan de rechthebbenden van de grond waarop het werk zal worden aangelegd.

    Onder het begrip rechthebbende in artikel 2 BP wordt verstaan: zakelijk gerechtigden (bijvoorbeeld eigenaar, opstaller, erfpachter en gerechtigde tot een erfdienstbaarheid) en persoonlijk gerechtigden (bijvoorbeeld huurder en pachter).

  3. 3:36a Wro procedure:
    Wordt voor een project de Rijkscoördinatieregeling (RCR) toegepast (dan ligt er ook een Rijksinpassingsplan), is artikel 3.36a Wro van toepassing. Het verzoek aan de gemeente om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 2, eerste, tweede en derde lid, van de BP geschiedt dan zonder tussenkomst van de provincie. 

    Klassieke procedure:
    Indien er alleen een Rijksinpassingsplan (RIP) ligt en geen Rijkscoördinatieregeling (RCR) en overige gevallen, is de klassieke procedure van toepassing. Op de voorbereiding van een BP-besluit bij deze procedure is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 Awb van toepassing. In deze procedure wordt een aantal stappen overgenomen door Gedeputeerde Staten (GS) en de gemeente waarin het betreffende perceel is gelegen.

  4. Op grond van artikel 11 BP moeten rechthebbenden gravingen, metingen, onderzoek enzovoorts ter voorbereiding van een werk (dat voldoet aan de toetsingscriteria van de BP), gedogen behoudens recht op schadevergoeding en mits dit hen tweemaal 24 uur tevoren door de burgemeester schriftelijk is aangezegd.

  5. Ja. De gedoogplicht kan worden verzocht voor de aanleg en instandhouding van een werk, maar ook alleen voor de instandhouding van een reeds bestaand werk.

  6. Een verzoek tot oplegging van de gedoogplicht dient schriftelijk te worden ingediend. U kunt een afspraak maken met de afdeling publiekrecht (Belemmeringenwet Privaatrecht) van de Corporate Dienst Rijkswaterstaat voor een vooroverleg waarin een en ander wordt toegelicht. Eerst dient een conceptverzoek met bijbehorende stukken te worden ingediend. Na toetsing en eventuele aanpassingen kan het definitieve verzoek worden ingediend.

  7. 1. Verzoekbrief;

    2. Werkbeschrijving van het te ondernemen werk. De gegevens in de werkbeschrijving dienen te corresponderen met de gegevens opgenomen in de overige BP-stukken (met name tekeningen). NB: de tekeningen en werkbeschrijvingen zoals die zijn opgenomen in het algemeen- en persoonlijke dossier, zoals deze ter inzage hebben gelegen zijn bindend voor het uitvoeren van de werkzaamheden.

    3. Tekeningen: overzichtstekening, grondtekening, tekening met dwars- en lengteprofielen;

    4. Kadastrale gegevens van onroerende zaken en de rechthebbenden op deze onroerende zaken: recente uittreksels kadastrale registratie;

    5. Uittreksel Kamer van Koophandel indien bij het verzoek maatschappen of andere vennootschappen zijn betrokken (persoonlijk dossier);

    6. Afschrift (standaard)overeenkomst tot vestiging opstalrecht/zakelijk recht of gebruiksovereenkomst met bijbehorende tekening;

    7. Indien van toepassing: afschrift algemene voorwaarden betreffende vestiging opstalrecht/zakelijk recht of gebruiksovereenkomst;

    8. Logboek en afschriften van gevoerde gesprekken, correspondentie en onderhandelingen met rechthebbenden om tot overeenstemming te komen tot het vestigen van een zakelijk recht;

    9. Adreslijst van de rechthebbenden (en hun juridische vertegenwoordigers;

    10. Indien van toepassing: overige/aanvullende informatie van belang voor een juiste beoordeling van het verzoek;

    11. Indien van toepassing: afschrift reglement voor instelling waterschap;

    12. Indien van toepassing: afschrift koninklijk besluit houdende concessieverlening;

    13. Indien van toepassing: afschrift koninklijk besluit houdende erkenning openbaar belang van werken;

    14. Indien aanwezig: cultuurtechnisch rapport.

  8. In het kader van de BP (artikel 3, lid 1 BP) wordt aan 4, cumulatieve criteria getoetst:

    1. Het betreft een werk dat nodig is ten behoeve van een openbaar werk van algemeen nut;
    2. De aanleg van het onderhavige werk vordert geen onteigening. De gedoogplicht procedure staat los van de onteigeningsprocedure en kan slechts opgelegd worden als de belangen van rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen. De gedoogplicht kan ook worden opgelegd wanneer wellicht op een later moment tot onteigening zal worden overgegaan;
    3. Er dient minnelijk overleg plaats te hebben gevonden. Het minnelijk overleg (resulterend in een overeenkomst tot vestiging van een zakelijk recht danwel een besluit tot oplegging van de gedoogplicht, (gevolgd door inschrijving in het Kadaster), dient vooraf te gaan aan het indienen van het verzoek om toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht. De verzoeker dient, binnen redelijke grenzen, alles in het werk te stellen om tot minnelijke overeenstemming te komen. De onderhandelingsplicht bestaat ook gedurende de fase nadat het definitieve verzoek is ingediend en de zitting heeft plaatsgevonden;
    4. On het gebruik van de onroerende zaak wordt niet meer belemmering gebracht dan redelijkerwijs noodzakelijk voor de aanleg en instandhouding van het werk. Na toetsing van het conceptverzoek met bijbehorende stukken kan het definitieve verzoek worden ingediend. Conform artikel 2, lid 6 neemt RWS/BP, namens de minister, binnen 6 maanden na ontvangst van het definitieve verzoek het besluit.
  9. Klassieke procedure:

    • Gerechtshof. Rechthebbenden kunnen binnen een maand na ter inzagelegging van de gedoogbeschikking, aan het Gerechtshof binnen het gebied waar de onroerende zaken gelegen zijn vernietiging van die beslissing verzoeken. Het met redenen omklede verzoekschrift moet worden ingediend door een procureur.
    • Bezwaarschrift. Rechthebbenden kunnen binnen een termijn van 6 weken, aanvangende met de dag  na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze aan hem is bekend gemaakt, een    bezwaarschrift  tegen de beschikking indienen. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
    • Beroep tegen beslissing op bezwaar. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van dit besluit beroep instellen bij de sector Bestuursrecht van de Rechtbank.

    3:36A Wro-procedure:

    • Beroep. Rechthebbenden kunnen, binnen 6 weken na ontvangst van het gedoogbesluit, rechtstreeks beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtsgang naar het Gerechtshof komt dan te vervallen. 
    • Voorlopige voorziening. Gedurende 6 weken na toezending beschikking kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend. Om een Voorlopige Voorziening tot schorsing van het werk in te kunnen dienen, dient eerst bezwaar te worden ingediend.
  10. De verzoeker kan aan de minister verzoeken om de gedoogplicht in te trekken. Een reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn dat, nadat de gedoogplicht is opgelegd, alsnog overeenstemming is bereikt en verzoeker en rechthebbende vestiging van een zakelijk recht overeen zijn gekomen. De bij het Kadaster ingeschreven gedoogbeschikking wordt middels een intrekkingsbesluit (beschikking) uitgeschreven bij het Kadaster.