Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

Brandwerendheid

  1. In 2000 werd met brandproeven vastgesteld dat beton in tunnels in hoge mate brandbestendig is. Tussen 2000 en nu hebben de betonontwikkelingen niet stil gestaan. Vanwege onder andere deze ontwikkelingen is nieuw laboratoriumonderzoek uitgevoerd om de brandbestendigheid van het in tunnels gebruikte beton te herbevestigen.

    Uit de resultaten van dit onderzoek is in februari dit jaar gebleken dat het beton gebruikt in een aantal tunnels bij extreem hoge temperaturen mogelijk minder lang standhoudt dan eerder werd verondersteld. Omdat dit afwijkt van uitkomsten uit eerdere brandproeven, was nadere analyse en een second opinion nodig om te kunnen bepalen op welke wegtunnels dit betrekking zou hebben.

  2. De kans op een grote vrachtwagen brand is zeer klein. Er is sinds 1942 tweemaal een relatief grote brand voorgekomen in tunnels in Nederland. In de Velsertunnel in 1978 en in de Heinenoordtunnel in 2014, beide met een intensiteit van een kwart als waarmee onlangs is getest.

    De laboratoriumtest die in februari dit jaar is uitgevoerd betrof een proef met een intensiteit die 4 keer groter was, namelijk 200 megawatt (MW). Zelfs de brand in de Mont Blanctunnel (1999) die mede aanleiding gaf tot nieuwe Europese regelgeving in 2004 kende niet een dergelijke intensiteit (150 MW).

  3. In het verleden is op basis van proeven in 2000 vastgesteld dat beton gebruikt in tunnels in voldoende mate brandwerend is. Dit gegeven is vervolgens bij de aanvraag van verschillende vergunningen gebruikt.

  4. Testen van de brandwerendheid van beton worden steeds volgens een vast protocol uitgevoerd, (Efectis fire testing procedure 2008-Efectis-0695). Dit testprotocol is door het gerenommeerde bureau Efectis, in samenwerking met Rijkswaterstaat, ontwikkeld. Door het gebruik van dit vaste testprotocol wordt maximaal geborgd dat de testresultaten onderling vergelijkbaar zijn en zoveel mogelijk overeenkomen met  een praktijksituatie.

    Tegelijkertijd moet beseft worden dat deze proeven uitgevoerd worden in een laboratoriumsituatie en daarmee nooit een 1-op-1-reproductie zijn van de werkelijkheid.

  5. De volgende vervolgonderzoeken worden uitgevoerd:

    • Onderzoek naar tunnels die zijn opgeleverd tussen 2000 en 2008. Hiermee wordt uitgezocht of het risico van verminderde brandwerendheid zich ook voor 2008 kan hebben voorgedaan;
    • Een analyse van mogelijke gevolgen voor de wegtunnels in aanbouw;
    • Onderzoek naar combinaties van beton en brandwerende platen. Hiermee wordt een beter beeld verkregen van de feitelijke situatie in de tunnel en mogelijke oplossingsrichtingen.
  6. Het is nog onbekend wanneer de resultaten van de onderzoeken bekend worden gemaakt.

  7. De opdrachtnemer moet aantonen dat beton wordt gebruikt, dat een eerdere brandproef goed heeft doorstaan of een eigen brandproef doen.

  8. De gemeente waarin de tunnel ligt ziet als bevoegd gezag toe op de correcte naleving van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw) en de regels van het Bouwbesluit.

  9. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat met het resultaat van de brandproef in 2000 de brandwerendheid van de tunnels tot en met 2000 aantoonbaar voldoet.

  10. Tunnels van Rijkswaterstaat zijn veilig om te gebruiken, onder andere door de strenge eisen die in Nederland gesteld worden aan brandveiligheid. Tunnels hebben veel veiligheidssystemen om te voorkomen dat een brand escaleert en om de impact van een brand te beperken.

    Bij de bouw van tunnels wordt bovendien kritisch gekeken naar het ontwerp, de constructie en de keuze van materiaal. Zo wordt er onder andere brandwerende bekleding en/of beton toegepast dat bestand is tegen een grote brand.

  11. De weggebruikers kunnen veilig gebruik maken van de tunnels. Het is belangrijk op te merken dat de brandproeven zijn gebaseerd op een brand met een extreem grote intensiteit; een intensiteit die in Nederland nog nooit is voorgekomen. Ook de brand in de Mont Blanctunnel was minder intens dan de proeven die nu zijn gedaan.

    Echter, dat er mogelijk sprake kan zijn van een verminderde brandwerendheid van beton bij een zeer extreme brand nemen we serieus, omdat de hulpdiensten in geval van een brand hun werk veilig moeten kunnen blijven doen. Daarom zijn er bijvoorbeeld voor de korte termijn per tunnel met Bevoegde Gezagen en Veiligheidsregio operationele afspraken gemaakt zoals:

    • extra alertheid bij incidenten bijvoorbeeld in de verkeerscentrale;
    • extra waakzaamheid voor het voorkomen van files in de tunnel;
    • verhoogde aandacht voor de toe te passen procedures in geval van een incident. 
  12. Met beheerders van andere tunnels in Nederland (ProRail, gemeenten, provincies) worden onze bevindingen gedeeld, zodat zij waar nodig ook onderzoek kunnen doen.

  13. In 2000 werd met brandproeven vastgesteld dat beton in wegtunnels in voldoende mate brandwerend is. Vanwege onder andere signalen uit de wereld van betononderzoeken heeft Rijkswaterstaat in februari 2017 nieuwe laboratoriumproeven laten uitvoeren, waarin verminderde brandwerendheid van beton dat is gebruikt in een aantal wegtunnels voor het eerst is geconstateerd.

Huidige en bestaande tunnels

  1. Op dit moment kan voor 4 wegtunnels de brandwerendheid niet worden aangetoond: de Salland-Twentetunnel (N35), de Ketheltunnel (A4), de Tweede Coentunnel (A10) en de Koning Willem-Alexandertunnel (A2).

  2. Experts hebben aangegeven dat er waarschijnlijk een verandering in de samenstelling van beton in 2008 heeft plaatsgevonden. Er wordt nader onderzoek gedaan naar tunnels die zijn opgeleverd tussen 2000 en 2008, hiermee wordt uitgezocht of (en zo mogelijk uitsluiten dat) het risico van verminderde brandwerendheid zich ook voor 2008 kan hebben voorgedaan.

  3. Voor de 4 wegtunnels waarin mogelijk beton is gebruikt dat minder brandwerend is zijn met gemeenten en hulpdiensten afspraken gemaakt om een veilige inzet van hulpdiensten bij brand te kunnen garanderen. Daarnaast zijn waar nodig afspraken gemaakt over het ontruimen van de openbare ruimte boven de tunnel in geval van brand. Er vindt tevens een vervolgonderzoek plaats.

  4. Bij de betreffende tunnels waren al vanaf openstelling maatregelen van kracht om file in de tunnel te voorkomen. Dit om de kans op slachtoffers bij brand te verkleinen. In de verkeerscentrales zijn de medewerkers hier nu extra alert op.

  5. De hulpdiensten van de betrokken gemeenten zijn geïnformeerd en over operationele instructies voor inzet bij brand zijn waar nodig aanvullende afspraken gemaakt.