01 Externe veiligheid

Externe veiligheid

Bij het vervoer van gevaarlijke stoffen houdt de overheid natuurlijk rekening met de veiligheid van de betrokken werknemers. Maar minstens zo belangrijk als deze ‘arbeidsveiligheid’ is de externe veiligheid: de veiligheid van mensen die zich in de omgeving van de transportroutes bevinden. Deze risico’s moeten zo beperkt mogelijk zijn. Hiervoor heeft de overheid wettelijke normen vastgelegd.

Risicomaten

Bij het beoordelen van het externe risico gaat Rijkswaterstaat uit van twee verschillende risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit risico kan als een soort hoogtelijnen op een kaart weergegeven worden, waarbij de lijn punten met een gelijk plaatsgebonden risico met elkaar verbindt. 

Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per km transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute in een keer dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen op die transportroute.

Basisnet

Sinds 1 april 2015 is het externe veiligheidsbeleid voor het transport van gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd in de wet vervoer gevaarlijke stoffen, ook wel Wet basisnet genoemd. Het beleid is verder uitgewerkt in: 

  • de Regeling basisnet, met daarin onder meer de maximaal toegestane risico’s die langs de transportroutes gelden en de tabellen met de routes die zijn opgenomen in de basisnetten weg, water en spoor
  • het Besluit externe veiligheid transportroutes, waarin de externe veiligheid regels voor nieuwe ruimtelijke besluiten, zoals woonwijken en industriegebieden, staan
  • de Beleidsregels EV-beoordelingen tracébesluiten – EV staat voor ‘externe veiligheid’ – waarin externe veiligheid regels opgenomen zijn die gelden bij de vaststelling van infrastructuurbesluiten, dus de aanpassing of aanleg van nieuwe transportroutes. 

Met het basisnet komen we tot een betere afstemming tussen de noodzaak en toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen enerzijds. En anderzijds de behoefte om de fysieke ruimte langs en boven de infrastructuur intensiever te benutten.

Basisnetroutes en overige routes

In het basisnet worden de transportroutes onderverdeeld in twee type routes: basisnetroutes en overige routes. Alle voor het transport van gevaarlijke stoffen belangrijke (doorgaande) hoofdtransportroutes en de omleidingsroutes van tunnels met een tunnelcategorie B, C, D of E daarin zijn basisnetroutes. Op de overige routes vindt het transport van gevaarlijke stoffen in beperktere mate plaats.

Plaatsgebonden risico

Voor de overige routes berekenen we de risico’s voor de externe veiligheid op basis van het werkelijke vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de basisnetroutes heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘begrensde risicoruimte’ toegekend, ook wel de basisnetafstand of het PR-plafond genoemd.

Voor zowel de overige als basisnetroutes geldt de PR 10-6 contour als norm. Dit is de contour waarbij de kans 1 op een miljoen is dat iemand overlijdt ten gevolge van een zwaar ongeval met het transport van de gevaarlijke stoffen. De PR 10-6 contour geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen, scholen, grote kantoren, grote hotels, grotere winkelcentra en woonwijken; dit type bebouwing mag niet in deze contour liggen. De PR 10-6 contour geldt als een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten, zoals verspreid liggende woningen, sportterreinen, speeltuinen, kleinere kantoren, enzovoorts. Dit type bebouwing moet bij voorkeur niet in deze contour liggen.

Door het vastleggen van de PR 10-6 contour als PR-plafond in het basisnet wordt de ruimtelijke ordening langs die routes niet meer geconfronteerd met steeds wijzigende risicoafstanden, terwijl binnen de risicoplafonds nog groeimogelijkheden voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn. Wanneer tijdens de monitoring van het basisnet of binnen Rijkswaterstaatprojecten blijkt dat de risicoplafonds overschreden (dreigen) te worden zal de minister dit nader onderzoeken. Meer informatie over dit onderwerp staat onder het kopje Monitoring basisnet hieronder.

Groepsrisico(verantwoording)

Voor de basisnetroutes wordt het groepsrisico gereguleerd met het GR-plafond en een afwijkende beoordeling groepsrisico. Het GR-plafond is verschillend voor vervoer over water, weg en spoor: 

  • Bij transport over water is er geen GR-plafond. 
  • Bij vervoer over de weg wordt deze op een aantal wegen gevormd door de PR 10-7-contour (kans van 1 op de 10 miljoen). 
  • Bij vervoer over het spoor voor alle basisnetbaanvakken volgt het GR-plafond de PR 10-7- en de PR 10-8-contouren (kans van 1 op de 100 miljoen). 

Langs routes zonder GR-plafond wordt het PR-plafond ook gebruikt om het groepsrisico te beperken.

Langs de basisnetroutes wordt beoordeeld of er sprake is van een (dreigende) overschrijding van de risicoplafonds (zowel PR-plafond als GR-plafond). Daar waar sprake is van een (dreigende) overschrijding van de risicoplafonds moet de minister hier speciale aandacht aan besteden bij de monitoring van het basisnet (zie hieronder). Ook wordt erop gelet of de risicoplafonds “verschuiven” door een wegaanpassing (dus als het midden van de weg verplaatst wordt). 

Bij de overige routes wordt altijd het groepsrisico berekend, maar bij de basisnetroutes gebeurt dat alleen onder speciale omstandigheden; vandaar de naam 'afwijkende beoordeling groepsrisico'. Het groepsrisico wordt berekend met het risicoanalysepakket RBM II volgens de methodes die beschreven staan in de Handleiding Risicoanalyse Transport. Aanvullende eisen en tips voor externe veiligheidsstudies bij Rijkswaterstaat zijn opgenomen in de kaders. Men moet na een groepsrisico berekening altijd ingaan op de zelfredzaamheid van mensen in het risicogebied en de rampenbestrijding.

Bij hoge waarden van het groepsrisico of de groeprisico toename moet een groepsrisicoverantwoording worden opgesteld. In die verantwoording moet men ingaan op de maatregelen die genomen (kunnen) worden om het risico te verlagen, de bestuurlijke afweging van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de overgebleven risico’s, de zelfredzaamheid van mensen in het risicogebied en de rampenbestrijding.

Plasbrandaandachtsgebied

Over een aantal basisnetroutes kunnen grote hoeveelheden brandbare vloeistoffen worden vervoerd. Voor deze transportroutes is een plasbrandaandachtsgebied (PAG) opgenomen in het basisnet: een zone van 30 m naast de infrastructuur, waarin op grond van paragraaf 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012 aanvullende bouweisen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. In de basisnettabellen van de Regeling basisnet is per route aangegeven of een PAG geldt. Voor vaarwegen zijn geen PAG-en vastgesteld, maar wordt gebruik gemaakt van de zogeheten vrijwaringszones uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Monitoring basisnet

In het basisnet is opgenomen dat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat minimaal iedere 5 jaar, of vaker als het nodig is, onderzoekt in hoeverre de risicoplafonds van het basisnet overschreden (dreigen te) worden. Als er sprake is van een (dreigende) overschrijding van de risicoplafonds neemt de minister maatregelen om de overschrijding te voorkomen of terug te draaien. Bijvoorbeeld door het aanpassen van een route. Aanpassen van het PR-plafond zal daarbij pas als uiterste maatregel en na overleg met de Tweede Kamer overwogen worden. De minister kan de GR-plafonds wel zonder toestemming van de Tweede Kamer aanpassen. De monitoringsrapportages voor het basisnet weg en water worden gepubliceerd op de site van Infomil. 

Meer weten?

Meer informatie over de wetgeving op het gebied van externe veiligheid is onder andere te vinden op de websites van de rijksoverheid, het RIVM en InfoMil. Ook kunt u het contactformulier Risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen invullen.