Toezicht en handhaving

Waterkwaliteit en lozingen afvalwater

Een goede waterkwaliteit is 1 van de speerpunten van Rijkswaterstaat. In de afgelopen decennia is de waterkwaliteit dankzij de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Waterwet sterk verbeterd. Het lozen van afvalwater is 1 van de factoren die van invloed is op de waterkwaliteit. Dit is alleen onder strikte voorwaarden toegestaan. De rivieren in Nederland zijn van zodanige kwaliteit dat er veilig drinkwater van gemaakt kan worden. Daarnaast kan er ook veilig gezwommen worden op de daarvoor aangewezen zwemlocaties.

Bij sommige bedrijfsprocessen komt afvalwater vrij, zoals koelwater of procesafvalwater bij de productie van bijvoorbeeld consumptiegoederen of medicijnen. Een van de manieren om dit afvalwater af te voeren is het lozen op oppervlaktewater (open water zoals rivieren en kanalen). In principe geldt een lozingsverbod. Het lozen is alleen toegestaan met een vergunning. Voor bepaalde lozingen staan in de wet algemene regels. Onder andere Rijkswaterstaat en de waterschappen verlenen deze vergunningen en houden daar toezicht op.

Momenteel zijn door Rijkswaterstaat in Nederland ongeveer 800 lozingsvergunningen uitgegeven. Nadat een vergunning is verleend, controleren wij of het lozen voldoet aan de vergunningvoorschriften.

Vergunningen lozen afvalwater

Het lozen van afvalwater is alleen onder strikte voorwaarden toegestaan. Deze voorwaarden staan in de Waterwet, onderliggende regelgeving en in beleidsdocumenten, zoals het Nationaal Waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren. In deze beleidsdocumenten zijn de doelstellingen van de Waterwet concreet uitgewerkt, waarbij altijd een afweging gemaakt is tussen veiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit.

Bedrijven die afvalwater willen lozen, krijgen alleen een vergunning als:

  • er met een zogenoemde immissietoets is aangetoond dat de lozing geen schadelijke gevolgen heeft voor de waterkwaliteit.
  • wordt voldaan aan het voorzorgsprincipe: dit betekent dat de verontreiniging, ongeacht de stofsoort, zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit kan bijvoorbeeld door preventie, hergebruik of kringloopsluiting.
  • de vergunningsaanvrager met de best beschikbare technieken vóór de lozing zoveel mogelijk schadelijke stoffen heeft verwijderd.

Hoe meer kennis we bij de monitoring van de waterkwaliteit vergaren, hoe meer stoffen bekend zijn die in potentie een gevaar kunnen vormen voor de waterkwaliteit. Die zogeheten opkomende stoffen moeten waar nodig worden verwerkt in nieuwe watervergunningen, zodat we die stoffen nog beter uit ons water kunnen weren.

Strenge normen

In een vergunning staat welke stoffen en/of stofgroepen in het afvalwater mogen voorkomen en in welke hoeveelheid. We werken met stofgroepen, omdat er simpelweg te veel (duizenden) verschillende losse stoffen zijn om ze allemaal apart te noemen. De maximaal toegestane norm is streng en daar controleert Rijkswaterstaat op. Als er andere stoffen in het water worden aangetroffen, of in te grote hoeveelheden, kunnen we ingrijpen. Onze middelen variëren van waarschuwen tot het intrekken van de vergunning. Zo beperken we de invloed van afvalwater op de waterkwaliteit, natuur, milieu en leefomgeving tot een minimum.

Bovendien moet een bedrijf, ná het krijgen van een vergunning, ervoor zorgen dat het aantal zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) steeds verder wordt teruggedrongen. Ook moet de aanvrager bij het lozen van ZZS elke 5 jaar opnieuw rapporteren hoe deze lozingen worden teruggedrongen. Bij wijzigingen moet de vergunning opnieuw worden aangevraagd en worden aangepast.

Pilot Bezien watervergunningen

De waterkwaliteit is in grote delen van het land de afgelopen jaren duidelijk verbeterd, maar onvoldoende om alle doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te halen en onze ambities waar te maken. Er is dus meer actie nodig. Daarom geven overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstituten met de zogenoemde Delta-aanpak Waterkwaliteit een stevige impuls aan de verbetering van de waterkwaliteit. Om onze doelstellingen binnen de Delta-aanpak en KRW te behalen, voerden we tot eind 2019 de pilot ‘Bezien watervergunningen’ uit. In deze pilot controleerden we 66 vergunningen om te onderzoeken wat er nodig is om de ongeveer 800 bestaande vergunningen te actualiseren. Deze verantwoordelijkheid ligt in beginsel bij de vergunninghouders. We controleerden 3 punten:

  1. of de vergunning voldoet aan de huidige wet- en regelgeving
  2. of de vergunning recent bekeken en/of geactualiseerd is
  3. of alle relevante bedrijfsinformatie beschreven is

Uit de pilot blijkt dat driekwart van de bestaande vergunningen moet worden geactualiseerd, waarvan een kwart bij voorkeur op korte termijn. Uit de pilot blijkt echter dat er geen lozingen zijn geweest die een milieurisico vormden dat we meteen moesten ingrijpen. Bij het overgrote deel gaat het om een administratieve aanpassing. De vervolgaanpak is inmiddels in gang gezet. In juni 2020 is de Tweede Kamer verder geïnformeerd over deze vervolgaanpak. Een inhaalslag is onderdeel van de vervolgaanpak voor het bezien en indien nodig herzien/wijzigen van de vergunningen. In deze inhaalslag worden de komende 2-3 jaar de meest risicovolle lozingen bezien en indien nodig aangepast aan de actuele vereisten.

Echter, het proces om de vergunningen te bezien kost tijd. Het is een complexe operatie vanwege de omvang (aantal vergunningen) en het vraagt daarnaast om specifieke kennis. Wij werven extra experts op het gebied van dit soort vergunningen, zodat we de strengere normen sneller door kunnen voeren. Daarnaast wordt een structurele aanpak uitgewerkt, om alle vergunningen periodiek te bezien.

Kortom, de rivieren zijn van dusdanige kwaliteit dat er geen gevaar is voor de volksgezondheid, als het gaat om het maken van veilig drinkwater of het veilig zwemmen in de daarvoor aangewezen zwemlocaties. In de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de drinkwatervoorziening en de ecologische effecten van de lozing op het ontvangende oppervlaktewater.