04 Leefomgeving

Leefomgeving

Zeegrassen hebben een substraat nodig dat niet voortdurend aan beweging onderhevig is. Dat wil zeggen dat de planten het best gedijen op plaatsen met een beperkte dynamiek

In streken met een zandkust groeien ze dan ook niet in de open zee maar in lagunes en estuaria. Op sommige plaatsen heeft zeegras een vegetatievormende werking en kunnen ze hun standplaats aanzienlijke beïnvloeden. Ze beschermen de bodem tot op zekere hoogte tegen erosie als gevolg van de getijdenbewegingen. Ook vangt zeegras zand en slib in en biedt het beschutting aan allerlei algen en dierlijke organismen.

Zoutgehalte

Deze stabiliserende functie kunnen ze echter slechts uitoefenen zolang het zoutgehalte (saliniteit) en de dynamiek van het water niet ingrijpend verandert. Gebeurt dit wel, dan kan een zeegraspopulatie in een of enkele jaren ineenstorten. Uit verschillende onderzoeken is namelijk gebleken dat het zoutgehalte invloed heeft op de ontwikkeling van zeegras. Alles wijst erop dat relatief hoge zoutgehaltes de vestiging en uitbreiding van zeegras remmen.

Licht

Voor planten die zoals zeegras periodiek of permanent onder water leven, speelt licht een belangrijke rol, omdat de hoeveelheid licht bepaalt of een plant ergens überhaupt kan groeien. Dat wordt vooral bepaald door:

  • de grootte van het getijdenverschil en de hoogteligging van de getijdenzone 
    respectievelijk de diepte
  • de droogvalduur
  • de troebelheid van het water

Samen bepalen deze factoren tot welke diepte er voldoende licht doordringt voor zeegras om nog te kunnen groeien. De hoeveelheid zonlicht varieert en is afhankelijk van de daglengte en de weersomstandigheden. Zo kunnen sombere zomers negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van zeegraspopulaties.

Het getijdenverschil en de hoogteligging bepalen of planten lang dan wel kort droogvallen of dat ze permanent onder water liggen.

In een intertijdengebied spreek je dan van de droogvalduur. Deze bepaalt hoeveel licht de plant direct, oftewel tijdens laag water, bereikt.

Troebelheid

De troebelheid bepaalt tot hoe ver zonlicht in het water kan doordringen en daarmee tot welke diepte de planten kunnen groeien. In een intergetijden gebied bepaalt de troebelheid hoeveel licht er tijdens de overspoelingsfase bij de planten komt. De troebelheid wordt voornamelijk bepaald door de hoeveelheid slib en algen die in het water zweven. De troebelheid is niet constant en wordt onder andere bepaald door variabele factoren als stroomsnelheid, golfsterkte, windsterkte en windrichting. Daarom is er vaak sprake van een seizoensverloop wat betreft troebelheid. In de zomer is het water doorgaans helderder dan ’s winters; tenzij er sprake is van sterke algengroei, want dan kan het precies andersom zijn.

Waterdynamiek

Zeegras kan zich alleen vestigen en handhaven op plekken waar voldoende rust is. Bij te grote waterdynamiek spoelen worteldelen vrij, spoelen zaden weg of raken de zaden te diep begraven onder het sediment. Ook kunnen delen losslaan waardoor hele planten verdwijnen. Dit verplaatsen van plantendelen hoeft, als het incidenteel gebeurt, niet negatief te zijn. Het is namelijk ook een manier voor zeegras om andere gebieden te koloniseren.

Een gevestigde meerjarige populatie is beter bestand tegen een grotere waterdynamiek dan een beginnende populatie. Een gevestigde populatie kan zelfs een dempende werking hebben op de dynamiek, waardoor er een zichzelf versterkend effect ontstaat. Deze situatie is vermoedelijk de reden dat een dicht zeegrasveld vroeger in het jaar tot bloei kan komen dan een ijl zeegrasveld. Door de beschutting die de planten elkaar geven in een dicht veld kunnen ze meer energie steken in opgroei en bloei, in plaats van in wortelvorming en handhaving.

Sediment

Doordat een dicht zeegrasveld een dempende werking heeft op de waterdynamiek kan zich in zo’n veld zand en slib afzetten. Hierdoor komt de bodem geleidelijk aan omhoog en wordt die bovendien slibrijker. Klein zeegras is ook wel te vinden op stevige kleibodems die zijn achtergebleven nadat een kwelder door erosie is verdwenen. Dit fenomeen zien we bijvoorbeeld onder Terschelling en in de Zandkreek en de Kom in de Oosterschelde.