03 Laboratoriummetingen

Laboratoriummetingen

In Nederland worden in de periode maart tot en met juni op drie landlocaties watermonsters genomen om de hoeveelheid Phaeocystis in het water te meten.

Dit gebeurt bij de Brouwersdam (Noordzeezijde), de Roompotsluis (Noordzeezijde) en de Katse Heule (Oosterschelde). Deze watermonsters worden twee keer per week genomen en binnen twee dagen geanalyseerd op het voorkomen van Phaeocystis.

Phaeocystis

Voor de schuimvormende alg Phaeocystis geldt dat bij aantallen boven de tien miljoen cellen per liter er een reële kans bestaat op schuimvorming op het moment dat de populatie afsterft, met mogelijk wat overlast op de stranden. De combinatie grote rivierafvoer (met voedingsstoffen) in het voorjaar en langdurige noordoostenwind, waardoor zich in de Voordelta veel Phaecystis kan ontwikkelen, vormt het grootste risico. Na sedimentatie van afstervende kolonies in de Oosterschelde kan dit mogelijk leiden tot een vergrootte zuurstofvraag en risico’s voor de mosselpercelen. Rijkswaterstaat stelt voor de bovengenoemde locaties een document op waarin de ontwikkeling van het aantal Phaeocystis cellen wordt weergegeven.

Flagellaat

In de levenscyclus van Phaeocystis komen twee typen celvormen voor. Naast de standaard kolonievormende cel kent Phaeocystis ook een flagellaatstadium (met twee grote beweeglijke flagellen en een korte stijve flagel). Het flagellate stadium wordt als losse cel aangetroffen en is dus niet indicatief voor de hoeveelheid kolonies. De afmeting van de koloniecellen varieert tussen ca. 6 en 8 µm; de afmeting van het flagellate stadium bedraagt ca. 4 µm.

Kolonie

Het is vooral de koloniesubstantie (mucus), waarin de koloniecellen ingebed zijn, die het schuim veroorzaken. De kolonies kunnen meerdere millimeters in doorsnede zijn.