04 Veelgestelde vragen

Ecologisch herstel van de Maas

  1. Net als de meeste wateren in Nederland, veranderde ook de Maas sterk van karakter in de loop van de tijd. In de afgelopen 150 jaar is de rivier vanaf Maasbracht stroomafwaarts getransformeerd van een vrij slingerende rivier naar een kanaalachtige waterweg. Bochten werden afgesneden om het water sneller naar zee af te voeren en voor een betere bevaarbaarheid. Ook kwamen er stuwen en sluizen voor de scheepvaart. De oevers zijn vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw met steen of grind verdedigd, met name om afkalving van landbouwgrond tegen te gaan. 

    Deze ingrepen waren niet gunstig voor het waterleven. Ondiepe, luwe zones langs de oevers verdwenen grotendeels, terwijl het waterleven zich vooral daar afspeelt. Veel van de oorspronkelijke plant- en diersoorten zijn flink in aantal achteruit gegaan of zelfs verdwenen. De ecologische waterkwaliteit laat daardoor te wensen over.

  2. Inmiddels zijn de inzichten veranderd. Nu zien we dat hoogwaterveiligheid, ecologie, recreatie en andere functies goed samen kunnen gaan als je de natuurlijke krachten van de rivier op de juiste manier benut. Niet langer tegen het water ingaan, maar met het water meebewegen. Daarvoor kijken we tegenwoordig naar het ‘DNA’ van de Maas, naar de oorspronkelijke eigenschappen van de rivier. Met gerichte maatregelen brengen we vervolgens het natuurlijke karakter weer zoveel mogelijk terug. 

    Dit houdt in dat we geulen herstellen of nieuw aanleggen, uiterwaarden verlagen, natuurvriendelijke oevers realiseren en beekmondingen herstellen. Ook verankeren we op verschillende plekken rivierhout in het water. Zo werken we aan het ecologisch herstel van de Maas met voldoende ondiep water en variatie in leefgebieden voor riviergebonden planten, vissen en allerlei nuttige kleine waterbeestjes. Daarnaast studeren we in brede samenwerking op manieren om vissen gemakkelijker barrières als stuwen te laten passeren en de visstand in de Maas en haar zijbeken te verbeteren.

  3. Voor een gezond watermilieu is het belangrijk dat de verhouding tussen gebiedseigen soorten en zogenoemde exoten in balans is. Het ecosysteem is dan veel sterker. Als er veel verschillende soorten planten en dieren zijn kan de natuur beter tegen een stootje in moeilijke tijden zoals bij uitbraak van ziekten. 

    Door het natuurlijke leefgebied zoveel mogelijk te herstellen, krijgen karakteristieke flora en fauna de kans terug te keren. Een steenachtige omgeving trekt juist niet-inheemse soorten aan, zoals de veel voorkomende Kaspische grondels bij de vissen. 

  4. Niet alleen Rijkswaterstaat is actief langs de Maas met de ontwikkeling van waternatuur.  Ook natuurbeheerorganisaties (Natuurmonumenten, de provinciale landschappen, Staatsbosbeheer, ARK Natuurontwikkeling), de waterschappen Limburg, Aa en Maas, Rivierenland en Brabantse Delta, de Maasprovincies en Maasgemeenten, ontgronders en gebiedsontwikkelaars zijn met allerlei herinrichtingsprojecten actief langs de rivier. Met deze partijen stemmen we af of werken we waar dat kan samen om de verschillende ambities vorm te geven. 
     
    Verder leggen we bij het ontwerp en de uitvoering van de KRW-maatregelen ons oor te luisteren bij omwonenden en branche- en belangenorganisaties voor de binnenvaart, recreatievaart, landbouw, vismigratie en hengelsport (waaronder Sportvisserij Nederland). Ook marktpartijen als ingenieursbureaus, aannemers en rivierecologen zijn onmisbaar voor het bereiken van gewenste resultaat. 

Maatregelen

  1. Bij het verwijderen van oeververdediging (ontstenen) langs de Maas houden we rekening met behoud van de vaarweg voor de scheepvaart, de hoogwaterveiligheid en de bescherming van bepaalde objecten en infrastructuur. De stuwen en sluizen in de Maas blijven bijvoorbeeld gewoon bestaan en de rivier mag niet van plek veranderen. 

    We halen alleen oeverstenen weg op oeverstroken die minimaal 25 m binnen staatseigendom liggen. Per locatie is zorgvuldig uitgezocht hoeveel steen we kunnen verwijderen, zodat er voldoende afstand blijft tot bijvoorbeeld achterliggende wegen en dijken. 

    Aanzanding in de oeverzone die de scheepvaart zou kunnen belemmeren, voorkomen we zoveel mogelijk. Zo graven we op bepaalde smallere plekken in de rivier meteen na het ontstenen een deel van de oevergrond weg om een overmaat aan erosie in de eerste periode na aanleg te voorkomen. En aan weerskanten van bruggen, veerponten, havens en dergelijke wordt de bestorting tot een bepaalde veilige afstand helemaal niet weggehaald.

     

  2. Het doel is een mix van watermilieus langs de Maas terug te brengen. Hoe meer variatie er is in leefgebieden, hoe meer kansen er zijn voor verschillende soorten planten en dieren om terug te keren. Dat is gunstig voor de biodiversiteit die we nastreven. 

    Dit betekent dat we zowel eenzijdig aangetakte geulen aanleggen als meestromende nevengeulen, die aan beide zijden permanent met de Maas zijn verbonden. Daarnaast leggen we geïsoleerd liggende geulen (strangen) aan, die bij lage en normale afvoeren niet met de Maas zijn verbonden. Al deze geulen gaan bij hoogwater meestromen. Dat geldt echter niet altijd voor de zogenoemde kwelgeulen, die met name karakteristiek zijn voor de Zandmaas. Dit type geul ligt meestal verder landinwaarts bij de dijk en stroomt alleen bij erg hoge afvoeren mee, als niet alleen de oeverzone maar het hele winterbed tot aan de dijk 'meedoet'.

  3. Dood hout hoort van nature thuis in de Nederlandse rivieren. Op en rond dit hout vinden diverse soorten insecten en vissen hun leefgebied. Het vormt als het ware een koraal voor ongewervelde diertjes die met het blote oog nét te zien zijn, zoals kokerjufferlarven, vlokreeftjes en eendagsvliegen. Deze diertjes worden weer gegeten door vissen. Zij gebruiken de takken en de wortels van de boom om te schuilen, te paaien en voedsel te verzamelen. Vervolgens duurt het niet lang voordat ook visetende vogels in de buurt neerstrijken. 

    In de afgelopen eeuwen is er hard gewerkt om de bevaarbaarheid en hoogwaterveiligheid van ons binnenwater te verbeteren. Zo werd alles wat opstuwing kan veroorzaken verwijderd. Ook dood hout. Hierdoor zijn echter plant- en diersoorten die op hout leven grotendeels verdwenen. Om dit te herstellen, leggen we op steeds meer plekken dode bomen in het water. De bomen worden daarbij stevig verankerd om wegdrijven te voorkomen. 

    Met rivierhout brengen we een belangrijke schakel in de voedselketen terug. Dit past bij andere ecologische herstelmaatregelen als het realiseren van natuurvriendelijke oevers, geulen en beekmondingen. Vanzelfsprekend waarborgen we een veilige scheepvaart en een goede doorstroming bij hoogwater. 

  4. Het weghalen van de stenen bestorting draagt bij aan de bescherming tegen overstromingen. De Maas komt zonder oeververdediging immers minder strak in haar jasje te zitten. De rivier heeft daardoor bij hoogwater meer ruimte om het water af te voeren. Wel moeten we er voor zorgen dat de begroeiing op de oevers in toom wordt gehouden zodat die de doorstroming bij hoogwater niet belemmert.
     
    Ook de KRW-geulen zorgen in meer of mindere mate voor een betere doorstroming bij hoogwater. Bij enkele geulen is sprake van een harde taakstelling in centimeters waterstandsdaling bij maatgevend hoogwater: Maasarm Batenburg (6 cm), Maasarm Keent (4 cm) en de herinrichting van de Hemelrijkse Waard (4 cm). 

  5. Ja, waar mogelijk gebeurt dat. Meer riviernatuur en hoogwaterveiligheid gaan vaak heel goed samen. Bij sommige projecten zijn beide belangen vanaf het begin als doel opgenomen. Voorbeelden daarvan zijn het Grensmaasproject, de herinrichting van de Hemelrijkse Waard in de gemeente Oss en het opnieuw uitgraven van de gedempte Maasarmen bij Batenburg (gemeente Wijchen) en Keent (gemeente Oss). 
     
    Maar ook bij andere ingrepen proberen we altijd meerdere vliegen in één klap te slaan. Hoogwatergeulen moeten op de eerste plaats zorgen voor waterstandsdaling. We kunnen ze echter vaak zó vormgeven dat ze tegelijkertijd een goed leefgebied vormen voor riviergebonden  flora en fauna. Dit is onder meer gebeurd bij de geulen Well-Aijen Zuid en Raaijweide Venlo. Ook de hoogwatergeulen bij Ooijen-Wanssum gaan hier een bijdrage aan leveren. 
     
    De komende jaren blijven we ons inspannen om het werk buiten slim te bundelen en vanuit de KRW-opgave zoveel mogelijk aan te sluiten bij projecten van derden en andere programma’s van de rijksoverheid, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma en Deltaprogramma.

  6. Een van de hoofdfuncties van een rivier is het afvoeren van ijs en sediment naar de zee. Alhoewel dit lastig is te zien met het blote oog, bevat het Maaswater dan ook altijd zand- en kleideeltjes. Dat noemen we de reguliere sedimentlast. Bij hoge afvoeren is dit duidelijker te zien, omdat het water dan vaak bruin kleurt van alle grond die de rivier heeft opgepakt onderweg.
     
    De Maas zet dit materiaal vervolgens op bepaalde plekken af in haar stroombed. Dit gebeurt vooral daar waar de stroomsnelheid afneemt, zoals vlak voor een stuw of als de bedding breder wordt. Dat zijn de plekken die Rijkswaterstaat periodiek moet baggeren om de vaarweg op diepte te houden voor de scheepvaart. Alhoewel de aanblik van afbrokkelende ontsteende oevers misschien anders doet vermoeden, voegt die vrijkomende grond in feite maar weinig toe aan de reguliere sedimentlast van de rivier. 
     
    Rijkswaterstaat houdt de vaargeul door regulier baggeren op voldoende diepte. Mocht het door het ontstenen van oevers toch nodig zijn, dan wordt er aanvullend gebaggerd.

  7. Toen de Maas nog vrij afstroomde, hadden de kribben als doel om het water naar het midden van de rivier te leiden. Zo was er ook bij lagere waterstanden vaak nog voldoende diepgang voor de scheepvaart. Sinds de Maas is voorzien van stuwen is er het hele jaar door voldoende diepgang voor de schepen en hebben de kribben hun functie verloren. We halen ze nu waar mogelijk weg om de doorstroming bij hoogwater te bevorderen. Zoals tussen Oeffelt en Cuijk, waar op de linkeroever zo’n 14 kribben zijn verwijderd.

Toegankelijkheid en recreatie

  1. Staatsgronden zijn in principe vrij toegankelijk, tenzij lokaal anders is bepaald. Dat geldt dus ook voor heringerichte Maasoevers. Deze zijn doorgaans dan ook vrij toegankelijk voor rustige recreatie, zoals wandelen en hengelsport. Wel zijn overal langs de Maas afrasteringen te vinden, die geplaatst zijn in verband met begrazing door runderen en/of paarden. 

  2. Staatsgronden zijn in principe vrij toegankelijk, tenzij lokaal anders is bepaald. Dat geldt dus ook voor heringerichte Maasoevers. Sportvissen in de Maas vanaf deze oevers is in de regel toegestaan, mits er lokaal geen andere visrechten of bepalingen gelden en men aan de algemene regels voldoet, zoals in het bezit zijn van een geldige Vispas en anderen niet tot overlast zijn.
     
    In het algemeen geldt dat als een water wordt vermeld op de Gezamenlijke Vislijst (of de Kleine Vislijst) en men in het bezit is van een Vispas (of Kleine Vispas), er gevist mag worden. Deze lijsten zijn in de vorm van een boekje beschikbaar of via de VISplanner-app. Bekijk de website van Sportvisserij Nederland voor meer informatie. 

  3. Net als in andere rivieren en in kanalen, raden we zwemmen in de Maas ten sterkste af. Op een aantal plekken is zwemmen in rivieren ronduit verboden met het oog op de veiligheid; bij ballenlijnen, oversteekplaatsen van veerponten, bij bruggen en sluizen en in de vaargeul voor de scheepvaart mag niet worden gezwommen. Doe je dat toch, dan riskeer je een boete van 140 euro.  
     
    Een oever met zandstrandje lijkt onschuldig, maar kan levensgevaarlijk zijn. Let ook op met pootjebaden, zeker bij kinderen! De stroming is vaak sterker dan gedacht en door passerende schepen ontstaan verraderlijke wervelingen. Vanaf een binnenvaartschip zijn zwemmers slecht te zien in het water. Bovendien kan een schip niet snel afremmen of uitwijken. Ook kan het water onverwacht koud zijn, met kramp tot gevolg. 
     
    Wil je zwemmen langs de Maas? Maak dan gebruik van een van de officiële zwemlocaties, meestal zijn dit Maasplassen. Daar wordt ook gecontroleerd of de waterkwaliteit geschikt is om in te zwemmen. Deze locaties zijn te vinden op de website Zwemwater.nl.

  4. Daar zijn de geulen niet voor ingericht. In een KRW-geul moeten waterplanten, vissen en andere dieren zich rustig kunnen ontwikkelen. Het is ook geen officieel zwemwater en dit wordt daarom niet gecontroleerd op goede zwemwaterkwaliteit en bijvoorbeeld de aanwezigheid van blauwalg. We raden daarom aan altijd gebruik te maken van officieel zwemwater. Kijk op de website Zwemwater.nl waar veilig langs de Maas gezwommen kan worden.

Werkzaamheden

  1. Vrijkomend materiaal als basaltkeien, grind, zand en klei wordt door de aannemer veelal duurzaam hergebruikt bij andere projecten. Zo vindt keramische klei vaak zijn weg naar steenfabrieken voor de productie van dakpannen en worden keien opnieuw toegepast bij de bouw van sluizen en kanalen. 

  2. Ja, de aannemer is verplicht voor aanvang van het werk een flora- en fauna onderzoek te doen om te kijken of er beschermde soorten aanwezig zijn. Als dat zo blijkt te zijn, dan kan dat betekenen dat planten verplaatst moeten worden naar een andere plek waar geen werkzaamheden plaatsvinden. Soms moet het ontwerp worden aangepast, om bijvoorbeeld een dassenburcht in tact te laten. Ook worden dan wel eens elders in de buurt leefgebieden gecreëerd zodat de dieren daar naar toe kunnen verhuizen. 
     
    Wanneer het voor een project nodig is om struiken en/of bomen te verwijderen, dan gebeurt dat normaal gesproken buiten het broedseizoen. Wil de aannemer de vegetatie toch in het broedseizoen weghalen, dan mag dat alleen als er geen vogels broeden. Is dat toch het geval, dan moet de aannemer wachten tot het broedseizoen voorbij is. 

  3. We verwachten weinig archeologische vondsten afgaande op studies die voor de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Dit betekent niet dat we niets zullen vinden. Zo zijn er tijdens graafwerkzaamheden bij Maren-Kessel in de gemeente Oss resten van een middeleeuws houten bootje aangetroffen. En bij het graven van de oevergeul bij Maasbommel werden overblijfselen van historische bebouwing gevonden.
     
    Als de kans bestaat dat er archeologisch waardevolle resten in de bodem zitten, dan voert de aannemer de werkzaamheden uit onder begeleiding van een archeoloog.

Bakenbomen

  1. In Noord-Brabant, Noord-Limburg en Gelderland staan er op regelmatige afstand van elkaar zogenoemde bakenbomen langs de Maas. Deze zijn ongeveer 70 jaar geleden geplant om voor de scheepvaart ook bij mist en hoogwater de grens van het vaarwater te markeren. Sinds de komst van gps en radar hebben de bomen die nautische functie verloren. Ze worden daarom niet meer actief door Rijkswaterstaat onderhouden. Rijkswaterstaat is ervan op de hoogte dat veel inwoners waarde hechten aan de bakenbomen. We stelden daarom, in samenspraak met de omgeving, de Richtlijn Bakenbomen op, zodat we zorgvuldig en consistent blijven handelen. We kappen de bomen alleen actief als dat voor hogere doelen als de hoogwaterveiligheid of ecologisch herstel van de Maas nodig is. 
     
    De meeste bomen, doorgaans populieren, hebben inmiddels het einde van hun levensduur bereikt en sterven op natuurlijke wijze af. Op diverse plekken zijn inmiddels bakenbomen spontaan omgevallen als gevolg van storm of ouderdom. Dit gebeurt zowel bij oevers die met steen zijn verdedigd als bij ontsteende oevers. 
     
    Als een boom is omgevallen, laten we deze bij voorkeur in de oeverzone liggen. Dood hout vormt namelijk een belangrijke voedingsbodem voor allerlei organismen en is dan ook een waardevol element in een gezond ecosysteem. Als het risico bestaat dat de boom bij hoogwater gaat drijven, wordt deze stevig aan een ketting gelegd. Is dat niet mogelijk of als de boom te zeer beschadigd is, dan wordt deze in zijn geheel verwijderd.
     
    Overigens is uit onderzoek bij de bomen gebleken dat exemplaren met blootliggende wortels als reactie daarop vaak juist extra stevig in de resterende bodem aan landzijde vastgroeien. Ze staan dus niet altijd zo los als het lijkt.