01 Doelen en resultaten

Rijkswaterstaat zorgt voor natuurlijkere oevers, beekmondingen en uiterwaarden langs de Maas, zodat de leefomgeving van planten en dieren en de ecologische waterkwaliteit verbeteren. De rivier krijgt bovendien op veel plekken meer ruimte, wat voor lagere waterstanden bij hoogwater zorgt.

Natuurlijke oevers

Waar dat kan creëren we natuurlijke oevers. Door de stenen oeververdediging zoveel mogelijk te verwijderen, kunnen stroming en golfslag een brede oever 'boetseren', met ondiepe waterzones, rivierstrandjes en steilranden: plekken waar  Maasgebonden planten en dieren zich goed thuis voelen.

Waar de oeververdediging is weggehaald, zullen scheepsgolven en hoogwaters de grond loswoelen. De oeverrand brokkelt hierdoor af en trekt zich steeds een beetje verder landinwaarts terug. Tegelijkertijd zet de Maas bij hogere waterstanden zand of klei af op haar flanken. Gaandeweg vormt zich een bredere overgang van water naar land met een strandje en steilranden. Na verloop van tijd kalft de oever steeds minder snel af, om uiteindelijk een evenwichtstoestand te bereiken.

Soms moet de erosie worden beperkt, omdat er bijvoorbeeld op korte afstand een weg of dijk ligt. Of omdat dat voor de scheepvaart van belang is. In zo’n geval laten we het grootste deel van de stenen onder water liggen. Vooral in de scherpere buitenbochten. Wat ook wel gebeurt is dat we op smallere delen van de Maas een deel van de oevergrond na het ‘ontstenen’ meteen afgraven en afvoeren. Zo kan die grond niet neerslaan in de vaarweg en wordt mogelijke hinder voor schippers voorkomen.

Herinrichting uiterwaarden en aanleg geulen

Eén van de speerpunten bij het ecologisch herstel van de Maas zijn de geulen, omdat ze onlosmakelijk verbonden zijn aan een volwaardig rivierenlandschap. Kernwoord is ook hier: variatie in snelstromend, rustig kabbelend en stilstaand water.

In de praktijk betekent dit een mix van drie typen. Als eerste is er de permanent meestromende nevengeul, die aan beide kanten in open verbinding met de Maas staat. De variant benedenstrooms aangetakte geul stroomt alleen bij hogere waterstanden mee met de rivier. Dat dient meteen als verversingsmoment; vers water wordt aangevoerd en overtollig slib afgevoerd. Laatste categorie is de geïsoleerd liggende geul, die bij lage en normale waterstanden niet met de Maas is verbonden.

Op verschillende locaties langs de Maas voeren we grotere uiterwaardprojecten uit, waar geulen onderdeel van uitmaken Zo zijn bij Batenburg en Keent gedempte meanders opnieuw uitgegraven en verbonden met de rivier. Daarbij werd tevens de uiterwaard verlaagd en voorzien van ondiepe plassen. Ter hoogte van Oijen is in de Hemelrijkse Waard 225 ha landbouwgrond omgevormd tot een waterrijke wildernis voor riviernatuur en meer ruimte bij hoogwater. Rond 's-Hertogenbosch hebben we 3 Maasuiterwaarden heringericht om planten, vissen en andere waterdieren een beter leefgebied te geven: Blauwe Sluis, Empelse Waard en Henriëttewaard-Crèvecoeur. En in Maastricht is in stadsuiterwaard de Kleine Weerd een nevengeul met natuurvriendelijke oevers aangelegd.

Maar ook projecten die op de eerste plaats zijn bedoeld om voor lagere waterstanden bij hoogwater te zorgen, vormen vaak een aantrekkelijke omgeving voor plant- en diersoorten die van oorsprong thuishoren in het Maaslandschap. Natuur en veiligheid gaan dan ook vaak harmonieus samen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Grensmaasproject en de hoogwatergeulen bij Lomm, Well-Aijen, Ooijen-Wanssum en Raaijweide Venlo.

Herstel beekmondingen

Het samenspel tussen rivier en beek brengt een grote variatie in leefgebieden en gradiënten met zich mee. Gradiënten zijn geleidelijke overgangen van nat naar droog, van laag naar hoog en van diep naar ondiep. Die variatie is heel belangrijk omdat elke plant zo zijn eigen eisen heeft om zich te kunnen vestigen. Het hoornblad leeft helemaal 'ondergedoken', terwijl riet en lisdodde alleen met de voeten in het water staan. En de ene vissoort leeft in rustige poeltjes, waar de ander juist gedijt bij wat meer stroming, zoals de serpeling.

Deze natuurlijke situatie is echter nauwelijks meer aanwezig. Net als de Maas werden veel beken de afgelopen 150 jaar onnatuurlijker door ingrepen om de waterhuishouding te beheersen. Ze werden rechtgetrokken en barrières als spuisluizen, stuwtjes, watermolens en gemalen maken het voor vissen moeilijk de zijwateren op en af te zwemmen.

De verbetermaatregelen verschillen per beek. Vaak halen we verhardingen langs de monding en op de bodem weg. Obstakels worden verwijderd of we leggen er vispassages omheen. Waar dat kan krijgt de beek zijn oude (slingerende) loop terug. Ook passen we rivierhout toe of wordt de bodem zandiger gemaakt als stimulans voor het waterleven.

In 2006 hebben Rijkswaterstaat, waterschap Limburg en waterschap Aa en Maas via een convenant de handen ineen geslagen bij het herstel van de beekmondingen. Deze samenwerking is voortgezet met een 2e overeenkomst voor de periode tot en met 2027.

Daarnaast neemt Rijkswaterstaat het herstel van beekmondingen op in bredere KRW-pakketten met meerdere maatregelen, zoals het ontstenen van de Maasoevers. Alles bij elkaar zijn tussen 2006 en 2020 al 28 beekmondingen heringericht. Dit werk loopt de komende jaren dus nog door. Lees meer over het herstel van de beekmondingen die uitkomen in de Maas op onze projectpagina.

Rivierhout

Dood hout in de vorm van afgestorven bomen en grote takken hoort van nature in een rivier. Het vormt onder water een belangrijke schakel in de voedselketen. Aan het hout hechten zich allerlei kleine waterdiertjes als insectenlarven, kokerjuffers en mosselen, maar ook wieren en algen, die weer een belangrijke voedselbron voor vissen en vogels vormen. De wortels en takken dienen tevens als schuil- en paaiplaats voor jonge vis.

Vanwege de scheepvaart en doorstroming bij hoogwater hebben we in de loop van de tijd het meeste rivierhout echter verwijderd. Door dit nu opnieuw gecontroleerd te introduceren, komt dit belangrijke biologische element weer terug in ons riviersysteem. Vanzelfsprekend leggen we de dode bomen stevig vast zodat ze niet kunnen wegdrijven. En alleen daar waar ze geen hinder voor de doorstroming of scheepvaart veroorzaken. Kijk voor meer informatie en locaties met rivierhout langs de Maas op de pagina Rivierhout.

Uitvoering in etappes

Het realiseren van natuurvriendelijke oevers, beekmondingen en uiterwaarden gebeurt langs de Maas gebeurt gefaseerd, via verschillende werkpakketten. De uitvoering loopt nog door tot en met 2027.

Kaderrichtlijn Water

Dit project is onderdeel van de Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is. De maatregel moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het Europese oppervlakte- en grondwater verbetert. Alle waterbeheerders, waaronder Rijkswaterstaat, moeten ervoor zorgen dat de kwaliteit zowel chemisch (verontreinigende stoffen) als ecologisch (planten en dieren) uiterlijk in 2027 op orde is.