01 Doelen en resultaten

Doelen en resultaten

Samen met de waterschappen richten we in Noord-Brabant en Limburg diverse beekmondingen langs de Maas opnieuw in. De beken veranderden de afgelopen 150 jaar sterk door diverse ingrepen om de waterhuishouding te reguleren. Hierdoor ging het planten- en dierenleven achteruit.

Welke werkzaamheden er precies nodig zijn, verschilt per beek. Door bijvoorbeeld het weghalen van stenen op de oevers en bodem, ontstaan geleidelijke overgangen tussen water en land. Er komt weer ruimte voor gewenste natuurlijke processen, zoals afkalving van de oevers en meer afwisseling in stroming en waterdiepte. Dat trekt veel verschillende soorten aan.

Ook halen we obstakels als sluizen en stuwtjes in de zijwateren weg of plaatsen we een vispassage, zodat vissen gemakkelijker vanuit de Maas naar hun landinwaartse paai- en rustgebieden kunnen zwemmen. Waar dat kan krijgen beekmondingen hun natuurlijke (slingerende) loop weer terug.

Herstel zand-, sijpel- en grindmondingen

Met al deze maatregelen herstellen we de zand-, sijpel- en grindmondingen langs de Maas en brengen we de unieke leefomgevingen van planten, vissen, insecten en andere waterdieren die thuishoren in het riviersysteem weer zoveel mogelijk terug.

Enkele voorbeelden: in de oude Dieze bij 's-Hertogenbosch is een vistrap om de spuisluis heen gebouwd, om zo het hoogteverschil voor deze dieren te overbruggen. En de watermolen in de Everlose beek in het Limburgse Grubbenvorst werd voorzien van een bijzondere vissluis. Daarmee worden vissen langs de molen geheveld om hun weg verder landinwaarts te kunnen vervolgen.

Convenant herstel beekmondingen

In 2006 hebben Rijkswaterstaat, waterschap Limburg en waterschap Aa en Maas via een convenant de handen ineen geslagen bij het herstel van de beekmondingen. Deze samenwerking is voortgezet met een 2e overeenkomst voor de periode tot en met 2027.

Daarnaast neemt Rijkswaterstaat de beekmondingen mee in bredere werkpakketten voor ecologisch herstel van de Maas. Daarin zit dan bijvoorbeeld ook het aanleggen van ondiepe geulen en ontstenen van de Maasoever. Al deze maatregelen maken onderdeel uit van onze opgave voor de Europese Kaderrichtlijn Water voor gezonde wateren. Alles bij elkaar zijn tussen 2006 en 2020 al 28 beekmondingen heringericht. Dit werk loopt de komende jaren dus nog door.

Maatregelen beekmondingen Maas

Om de mondingen van de Maasbeken natuurvriendelijker te maken, treffen we de volgende maatregelen:

  • aanleg vispassages, zodat vissen de sluizen, stuwen, gemalen en watermolens in de beken kunnen passeren
  • verwijderen oeverstenen en harde bodems voor een natuurlijker leefgebied met meer variatie
  • herstel oorspronkelijke (slingerende) loop van de beken
  • aanbrengen rivierhout; dode bomen voor nieuw leven
  • proef met stenen dammetje bij ‘verdronken’ beekmondingen, met opening voor vis

Hulp voor verdronken beekmondingen Maas

Normaal gesproken stroomt het water van een beek bij de monding een stukje de Maas in en duwt het rivierwater daarbij min of meer weg. Bij beekmondingen die te diep onder water staan, is dat omgekeerd: het Maaswater dringt te ver de beek binnen, vooral bij het passeren van schepen.

Dit speelt onder meer bij de Tasbeek bij Kessel, de Rekgraaf bij Vierlingsbeek en de Aijense beek. Vissen in de Maas kunnen door de te grote afstand tot het beekwater de beek niet meer goed herkennen als de plek waar ze naar toe moeten om te paaien, naar voedsel te zoeken of op te groeien. De zogenoemde lokstroom is hier niet krachtig genoeg.

Om dit te verhelpen is bij wijze van proef onder meer bij de Aijense beek een dammetje van keien met doorlaat voor vis aangelegd. Aan rivierzijde werkt dit als een golfbreker voor scheepsgolven en aan landzijde moet het dammetje het zand vasthouden dat anders zou wegspoelen naar de Maas. Daardoor kan de bodem van de monding geleidelijk aan ophogen. Dat moet weer zorgen voor een aantrekkelijkere habitat voor allerlei flora en fauna, inclusief een verbeterde lokstroom voor vis.

Onderliggende pagina's