Onderzoeksadvies Waddenacademie over effecten microplastics in Waddenzee

Nieuwsbericht

Onderzoeksadvies Waddenacademie over effecten microplastics in Waddenzee

Gepubliceerd op: 25 juni 2019- Laatste update: 25 juni 2019 09:34 uur

In eerste instantie moet monitoring en onderzoek naar de langetermijneffecten van de verloren lading van de MSC Zoe zich richten op microplastics en hun impact op het ecosysteem, waaronder planten en dieren, van de Waddenzee.

Dit adviseert de Waddenacademie aan Rijkswaterstaat. Bij de monitoring en het onderzoek naar de langetermijneffecten werken Rijkswaterstaat en de Waddenacademie nauw samen met onderzoekers van diverse universiteiten en instituten.

Effecten van microplastics op de Waddenzee

Volgens het advies gaat het dan om microplastics van 100 nm tot 5 mm groot. Deze microplastics bestaan vooral uit plastic korrels van ongeveer 0,5 mm groot en plastic pellets van 4 tot 5 mm groot. Katja Philippart, vicevoorzitter Waddenacademie en projectleider: 'Het is de verwachting dat met name deze fracties in het ecosysteem blijven en daarmee een schadelijk effect kunnen hebben op verschillende organismes die deze plastics aan zien voor voedsel.'

Aansluiten bij lopende meetprogramma’s Waddenzee

De Waddenacademie schrijft in haar advies, dat bij monitoring van de effecten van plastic uit de verloren containers zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij al lopende meetprogramma’s. Philippart daarover: 'In de Waddenzee lopen al diverse meetprogramma’s van bijvoorbeeld Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en Wageningen Marine Research (WMR). Dankzij al deze verzamelde gegevens kan een vergelijking van de situatie direct voor en na het overboord gaan van de lading van MSC Zoe worden gemaakt. Deze gegevens kunnen vervolgens als basis dienen voor een langjarig meetprogramma naar de belasting van het zeemilieu en de mariene organismen.'

Onderzoeksprogramma Waddenzee

Naast monitoring is ook onderzoek nodig. Het advies van de Waddenacademie geeft aan dat het onderzoeksprogramma de meest prangende vragen met betrekking tot de bronnen, de verspreiding en de transformaties van afval, de aanwezigheid in het milieu en voedselweb en de effecten op dit alles moet beantwoorden. Ook wordt geadviseerd om aandacht te besteden aan diverse methodische aspecten. Het onderzoek naar de ecologische effecten van plastics is nog vrij recent, waardoor een deel van de benodigde methodieken nog niet goed ontwikkeld is. De uitkomsten van het onderzoek kunnen ook indirecte effecten hebben op de leefbaarheid en de gezondheid van de mensen die in het gebied wonen of voor de vele toeristen die er komen. Er is daarom ook aandacht voor sociaal-culturele en economische aspecten. Tenslotte dient volgens de Waddenacademie het monitoring- en onderzoeksprogramma verder zoveel mogelijk aan te sluiten bij lopende en nieuwe onderzoeks- en beheerinitiatieven in regionaal, Nederlands, trilateraal, Europees en internationaal verband.

Waardevol advies voor bescherming Waddenzee

Het advies van de Waddenacademie is op donderdag 20 juni 2019 aangeboden aan Erica Slump, hoofdingenieur-directeur (HID) van Rijkswaterstaat Noord-Nederland. Rijkswaterstaat is als beheerder verantwoordelijk voor de natuur en waterkwaliteit in de Waddenzee. Erica Slump: 'Als Rijkswaterstaat zijn we content met dit waardevolle en bruikbare advies. Samen met onze partners gaan we nu zorgvuldig en stapsgewijs te werk om de langetermijneffecten van de plastics op het ecosysteem van de Waddenzee in kaart te brengen. Het door de Waddenacademie uitgebrachte advies is hierin leidend. De eerste stap is inmiddels gezet: het water, sediment en mariene organismen (zoals vogels) worden op dit moment gemonitord en geanalyseerd op het voorkomen van plastics. Ook analyseren we eerder genomen monsters uit 2018 om zo een goed beeld te krijgen van de situatie vlak voor het over boord gaan van de containers. Met deze analyse krijgen we een eerste inzicht in de omvang van het incident. Op basis van de resultaten bepalen we welke extra maatregelen nodig zijn in het gebied en hoe we de langjarige monitoring en onderzoek verder vormgeven.'

Onderliggende pagina's