Baggeren

Om de vaargeul te verdiepen en verbreden wordt op verschillende plekken gebaggerd. Daarna zal regelmatig onderhoudsbaggerwerk nodig zijn om de geul op de gewenste diepte te houden. De (schone) baggerspecie wordt zo goed mogelijk verspreid binnen het gebied. 

De vaargeul volgt grotendeels een natuurlijke geul, van de Eemshaven via het Ranzelgat naar de Westereems, die tussen de Rottumerplaat en Borkum uitmondt in de Noordzee. Op de meeste plaatsen is de vaargeul van nature al diep genoeg voor de grootste schepen. Er hoeft alleen gebaggerd te worden op de ondiepten die zich met name in de Westereems bevinden en vooral uit zand bestaan.

Aanleg en onderhoud

Om de vaargeul te verdiepen en te verbreden vindt het zogenaamde aanlegbaggerwerk plaats. In de Startnotitie is uitgegaan van een streefdiepte van 15,5 meter over het gehele vaartraject. Voor de scheepvaart is dat echter niet overal nodig, omdat de schepen gebruik maken van het getij om in en uit te varen. De ingang van de vaargeul (bij de Westereemsverkenningston in de Noordzeekustzone) zal op een diepte van 16,1 meter -NAP worden gebracht. Bij de ingang van de Eemshaven volstaat een vaargeuldiepte van 15 meter.

Om de vaargeul op deze diepte te houden zal vervolgens regelmatig onderhoudsbaggerwerk nodig zijn. De getijstroming en de golven voeren constant zand af en aan, zonder onderhoud zouden er weer ondieptes ontstaan waar zand zich ophoopt. 

Verspreiden binnen het eigen ecosysteem

De baggerspecie die opgegraven wordt bestaat voornamelijk uit schoon zand. Volgens het Beheersplan Waddenzee moet baggerspecie zo optimaal mogelijk verspreid worden binnen het eigen natuurlijke systeem, op van tevoren vastgestelde locaties. Waar de bodem het meest kwetsbaar is, bijvoorbeeld omdat er veel vis- en plantsoorten leven, wordt geen baggerspecie verspreid. 

Daarnaast hangt de keuze van de verspreidingslocaties af van de belangen van de recreatie en de visserij, en van de getijstromingen, zodat aanwas van zand op ongewenste plekken wordt voorkomen.