Maatregelen en hinder
Het realiseren van natuur(vriende)lijke Maasoevers is opgesplitst in deeltrajecten. Op deze pagina lees u meer over de specifieke maatregelen die op deze trajecten worden uitgevoerd en over mogelijke hinder.
- Op de meeste locaties worden natuurlijke oevers gerealiseerd. Hierbij zorgt de inwerking van stroming, wind en golfslag voor een brede oeverzone. Dit biedt de Maas bij hoogwater meer ruimte het water af te voeren, met lagere waterstanden als resultaat. Erosie (afkalving) en sedimentatie (aanslibbing) zorgen voor ecologisch waardevolle ondiepe waterzones, zandstrandjes en steilranden. Om dit mogelijk te maken, verwijdert Rijkswaterstaat langs deze trajecten de stenen oeververdediging, geheel of gedeeltelijk. Dit levert nauwelijks hinder op voor de omgeving. Het werk duurt maximaal enkele weken, vindt plaats direct langs de waterlijn en brengt geen grondverzet met zich mee.
- Op locaties waar de situatie afkalving en aanslibbing niet toelaat, legt Rijkswaterstaat zogenoemde natuurvriendelijke oevers aan. Bij deze variant wordt de oever geleidelijk aflopend afgegraven. Die geleidelijkere overgang van water naar land is eveneens gunstig voor plant en dier en de hoogwaterveiligheid. In sommige gevallen wordt tevens een langzaam stromende nevengeul aangelegd om natuurvriendelijke condities te creëren. Op andere plaatsen is weer een stenen dammetje noodzakelijk, parallel aan de stroomrichting, dat als een soort golfbreker de waterkant tegen erosie beschermt. Deze werkzaamheden duren langer – tot enkele maanden – en zijn intensiever. De aannemer voert de vrijkomende grond- en bouwstoffen in principe af over water, zodat hinder voor de plaatselijke bevolking en bedrijven zo gering mogelijk blijft.
- Voor de scheepvaart wordt op geen van de locaties hinder verwacht omdat de werkzaamheden niet in de vaargeul plaatsvinden.
Deeltrajecten
Meer informatie per deeltraject kunt u vinden op de interactieve overzichtskaart (PDF, 6 Mb) .
Flyer recreatievaart en natuur(vriende)lijke Maasoevers.pdf 